Programma 13: Algemene inkomsten en post onvoorzien

Financiële risico's

Financiële risico's

Naam risico  

Gemeentefonds

Programma

Algemene inkomsten en post onvoorzien

Omschrijving

De hoogte van de algemene uitkering wordt bepaald door de omvang en verdeling van het gemeentefonds. De omvang is gekoppeld aan de groei van de rijksbegroting. De huidige raming van de hoogte van de algemene uitkering is gebaseerd op de meicirculaire 2019.

Vanaf 2015 is landelijk circa 10 miljard euro toegevoegd aan het gemeentefonds voor uitvoering van de decentralisaties in het sociaal domein. De totale omvang van het gemeentefonds bedraagt in 2019 circa 31 miljard euro. Het gemeentefonds is hierdoor de vierde grootste uitgavenpost op de rijksbegroting. Met ingang van 2019 is het integreerbare deel van de integratie uitkering Sociaal domein opgegaan in de algemene uitkering. Daarmee maakt het deel uit van de normeringssystematiek ('trap op, trap af').

Het Rijk heeft bij de meicirculaire voor 2019 t/m 2021 extra middelen beschikbaar gesteld voor de tekorten op het budget Jeugdzorg. Voor 2022 en latere jaren zal nader onderzoek bepalen of een extra structurele bijdrage volgt. Gemeenten kunnen een stelpost opnemen vanaf 2022 ter hoogte van de uitkering 2021. Wij hebben ervoor gekozen om vanaf 2022 in onze begroting rekening te houden met de extra structurele bijdrage ter hoogte van het budget 2021.

Momenteel wordt gewerkt aan een herziening van de financiële verhoudingen. De laatste herziening van de financiële verhoudingen stamt uit 1997. Sindsdien is er veel veranderd in de opgaven voor gemeenten. Bijvoorbeeld de decentralisaties in het sociale domein en de toenemende regionale samenwerking op tal van terreinen. De herziening van de verdeling van de algemene uitkering wordt momenteel door onderzoeksbureau AEF en Cebeon uitgevoerd. De herziening zal leiden tot herverdeeleffecten tussen gemeenten. Om gemeenten de gelegenheid te geven zich hierop aan te passen zal een transitieperiode worden afgesproken. Eventuele financiële gevolgen voor gemeenten zijn op dit moment nog niet bekend. 

De omvang van het BTW-compensatiefonds is aan een plafond gekoppeld. Overschotten of tekorten op het fonds worden verrekend met het gemeentefonds. Eerder werd er in de meerjarenraming uitgegaan van een jaarlijks oplopende onderuitputting op het BCF en deze onderuitputting was meerjarig verwerkt in de raming van de algemene uitkering. De VNG had daarvan al aangegeven dat deze verwachte onderuitputting niet meer realistisch is gezien de toename van het aantal investeringen door gemeenten. In de meicirculaire 2018 is een gewijzigde systematiek doorgevoerd waarbij jaarlijks alleen de voorlopige afrekening van het huidige jaar in de algemene uitkering wordt verwerkt. Dit gebeurt jaarlijks bij de septembercirculaire. Dit leidt ertoe dat de meerjarige onderuitputting is verwijderd uit de meerjarenraming van de algemene uitkering. In Groningen volgen wij de gemeentefondscirculaires. Voor Groningen heeft deze nieuwe werkwijze in 2019 geleid tot een nadeel van 4,7 miljoen euro, oplopend tot 7,9 miljoen euro vanaf 2022. Een overschot of tekort wordt uiteindelijk echter wel verrekend met de algemene uitkering, alleen het moment waarop de verwerking plaatsvindt wijzigt. De nieuwe werkwijze heeft dus geen gevolgen voor de uiteindelijke omvang van het gemeentefonds. Het ministerie van BZK heeft in overleg met de VNG het standpunt ingenomen dat gemeenten zelf reëel dienen in te schatten welke verwachte ruimte onder het BCF plafond als verwachte bate kan worden opgenomen in de meerjarenraming.
Wij vinden het niet reëel om meerjarig een verwachte bate in de begroting op te nemen als gevolg van mogelijke ruimte onder het BCF plafond. Het investeringsvolume van decentrale overheden is flink toegenomen in de afgelopen jaren en we verwachten nog een verdere toename als gevolg van de recent afgesloten collegeprogramma’s. Hiermee stijgen de verwachte declaraties uit het BCF. Daarom nemen wij geen verwachte bate op in de meerjarenbegroting voor dit onderwerp. 

Risicobedrag 2020

We hanteren het uitgangspunt dat specifieke kortingen (en uitzettingen) vanuit het rijk één op één met de sector worden verrekend. Voor het overige hanteren we een maximale omvang van het risico van 5% van de ingeschatte algemene uitkering. Het risico bedraagt maximaal 27,3 miljoen euro (naar boven of naar beneden), waarbij de kans op een voordeel even groot is als de kans op een nadeel. We gaan er vanuit dat de kans op een voordeel even groot is als de kans op een nadeel, hierdoor reserveren we hiervoor geen specifieke weerstandscapaciteit.

Kans 2020

 We gaan er vanuit dat de kans op een voordeel even groot is als de kans op een nadeel, hierdoor reserveren we hiervoor geen specifieke weerstandscapaciteit.

Risicobedrag 2021

Kans 2021

Risicobedrag 2022

Kans 2022

Risicobedrag 2023

Kans 2023

Structureel/Incidenteel

1e signaleringsmoment

1995

Actie

Forse afwijkingen worden zoveel mogelijk voorkomen en verkleind door het realistisch en stabiel ramen van de uitkeringen.

Naam risico  

Renterisico

Programma

Algemene inkomsten en post onvoorzien

Omschrijving

De renteveronderstellingen voor de begroting zijn gebaseerd op de verwachte ontwikkeling van de rente. De werkelijke renteontwikkeling kan hoger of lager uitvallen. Een beperkte afwijking zal zich zeker voordoen. Mutaties in de rente hebben gevolgen voor het resultaat. Het risico op een netto voordelig resultaat is even groot als het risico op een netto nadelig resultaat.

Risicobedrag 2020

pm

Kans 2020

Risicobedrag 2021

pm

Kans 2021

Risicobedrag 2022

pm

Kans 2022

Risicobedrag 2023

pm

Kans 2023

Structureel/Incidenteel

Incidenteel

1e signaleringsmoment

Doorlopend

Actie

De renteresultaten worden jaarlijks toegelicht en inzichtelijk gemaakt in de rekening. 

Deze pagina is gebouwd op 06/30/2022 16:43:17 met de export van 06/30/2022 16:19:59